Op zoek naar informatie over een psychische klacht of aandoening?

Klik hier voor een A-Z overzicht van enkele belangrijke psychische klachten »

Tijd om normaal te doen over psychische problemen

Getuigenis Lieven Scheire: 'Als ik bang was dat ik bang zou worden, werd ik ook doodsbang’

Op een podium voor duizend man voelt Lieven Scheire geen greintje angst. Maar op de trein of het vliegtuig overvalt hem een blinde paniek. Pas op zijn 23ste ontdekte hij hoe dat komt: hij lijdt aan opsluitingsangst. In het boek 'Verborgen Kopzorgen' vertelt hij hoe hij zijn fobie onder controle kreeg. We namen het artikel van DS Weekblad hier over. 

Mijn vroegste herinnering aan een paniekaanval speelt zich af in de bioscoop. Ik moet een jaar of zes zijn geweest. Plots ging het licht in de zaal uit en werd ik overvallen door een onbehaaglijk gevoel, een enorme dreiging. Mijn ademhaling werd hevig, mijn hoofd licht, en ik kon maar één ding denken: ik wil hier weg. Ik glipte uit mijn stoel met de smoes dat ik naar het toilet moest, en buiten pas gleed dat benauwde gevoel langzaam van mij af.

Volgens mijn moeder doken die paniekaanvallen op in de lagere school, in pretparken, zelfs op de Gentse Feesten: als er te veel volk rond mij stond, schoot ik in een blinde paniek. Je kunt dat het best omschrijven als het gevoel dat je hebt wanneer je als kleuter plots je ouders niet meer ziet. Je hartslag stijgt, je haren gaan rechtstaan, je hele lichaam spant zich op en maakt zich klaar om aan te vallen of weg te lopen. Je organen en hersenen worden op stand-by gezet, waardoor alles een beetje wazig wordt, en je het onmiddellijke contact met mensen verliest, ook al staan ze vlak voor je. Net of er glas tussen jou en de buitenwereld zit.

In het middelbaar begon die paniek zich pas echt te ontwikkelen, en tegen mijn zeventiende werd het problematisch. Op het dieptepunt bevond ik me in een constante staat van ongerustheid. Vooral omdat ik geen benul had van wat mij overkwam. Ik wist toen nog niet dat duizenden anderen net hetzelfde meemaken. Ik vond er trouwens ook de woorden niet voor, dus repte ik er tegen niemand over. Ik haalde mezelf wel de vreselijkste dingen voor de geest: ik dacht dat ik aan het begin stond van een onoverkomelijke depressie, dat ik de rest van mijn leven zo van slag zou zijn. Zo kweekte ik op den duur een zelf-anticiperende angst. Zodra ik begon te vrezen dat er een paniekaanval aankwam, brak de hel los. Als ik bang was dat ik bang zou worden, dan werd ik ook doodsbang.

Het zesde middelbaar was echt zwaar. Op zeker ogenblik vocht ik vier weken lang constant tegen paniekaanvallen. Tijdens de les, op de bus, als ik met mensen praatte: de angstgevoelens konden elk moment de kop opsteken. Na drie weken was ik zo uitgeput dat ik thuisbleef van school en mijn moeder me naar de huisarts stuurde. Daar probeerde ik in mijn eigen woorden uit te leggen wat mij overkwam. Van de termen ‘paniekaanval’ of ‘angststoornis’ had ik nog nooit gehoord, maar de dokter kon mij ook geen antwoorden bieden. Ze keek alleen bedenkelijk en mompelde: ‘Moeilijk, moeilijk.’

Uiteindelijk schreef ze mij een slaapmiddel op basis van valeriaankruid voor, en een opwekkend tonicum voor ’s ochtends. Dat moest ik twee weken innemen, en als het niet werkte, moest ik maar terugkomen voor ‘de paardenmiddelen’. Ik weet nog dat ik dacht: die kruidenmiddeltjes zijn sympathiek, maar over twee weken sta ik hier terug, rijp voor het gesticht. Ik zat in een put van vermoeidheid en depressie waar ik niet uit raakte. Ik was amper 17, maar toch spookten zwarte gedachten door mijn hoofd: dit is voor de rest van mijn leven, ik kan niets meer, interneer mij maar. Maar wonder boven wonder: na twee weken ging het plots beter.

Te zelfverzekerd voor een stoornis

Die angstige periodes bleven helaas wel terugkomen. Ze konden van de ene dag op de andere beginnen. Ik zocht als een gek naar een mogelijke verklaring. Stapels papier schreef ik vol met schema’s van wat ik allemaal gegeten had, waar ik geweest was, wat ik gedronken had, hoeveel ik geslapen had. Maar ik heb nooit iets gevonden. 

Er waren natuurlijk ook klassiekers, zoals de examenperiode aan de universiteit. Ik weet nog goed dat ik op een avond mijn potje stond te koken en dacht: “Amai, het zou wel erg zijn als ik tijdens de examenperiode zo’n angstaanval kreeg.” En hop, het spel zat op de wagen. Ik ben nog wat gaan wandelen, maar vergeefs. Ik zat helemaal vast en slapen hielp ook niet: de volgende dag was ik nog steeds een wrak.

Ik bracht toen veel tijd door op een kot in de buurt, waar nogal wat van mijn kameraden woonden. Er stond een mooie, comfortabele zetel. Daar zat ik dan de hele dag met een cursus in mijn handen, zonder iets te doen. ’s Avonds ging ik thuis slapen en de volgende dag voltrok zich dezelfde routine. Gedurende anderhalve week ben ik elke dag naar dat kot getrokken. Niet om te studeren, maar om te overleven. Ik probeerde de dag door te komen, terwijl ik knikkebolde van vermoeidheid. Mijn vrienden probeerde ik uit te leggen wat er scheelde, maar ze begrepen het niet: ze dachten dat ik oververmoeid was. Na zo’n aanval volgde vaak een lange periode van absolute uitputting. Dan lag ik in de zetel en vroeg een kotgenoot of ik al om brood was gegaan. Op dat moment vond ik het zelfs te lastig om nog maar te zeggen: nee, de bakker was gesloten.

Gelukkig bleef ik er met mijn hoofd altijd bij. Er zijn mensen die compleet wegzinken, maar ik bleef alert. Ik begon op klokvaste tijdstippen te eten, ik dronk veel water, ik werkte kilo’s fruit naar binnen en trachtte alles te doen wat gezond was om toch maar uit die donkere periodes te komen. En uiteindelijk werkte dat. Net zoals ik van de ene dag op de andere in een periode van angst verviel, klauterde ik er ook uit. Maar evenmin wist ik waarom het zo plots weer voorbij was.

Ook tijdens de examenperiode werd ik op een goede ochtend wakker met het gevoel dat het plots een stuk beter ging. Die dag ben ik niet naar het kot van mijn maten gegaan, maar heb ik een halve dag mijn huis opgeruimd en ben ik voorzichtig beginnen te studeren. Tot mijn grote verbazing was er geen enkel probleem meer in de rest van de blokperiode.

In die lastige periode aan de universiteit ben ik bij de studiebegeleidingsdienst van de Universiteit Gent gaan aankloppen, want de kruidenmiddeltjes van mijn huisarts baatten niet meer. Ze verwezen mij door naar de psychiater verbonden aan de universiteit. Daar deed ik opnieuw mijn verhaal, waarna hij mij naar een of andere psychologische opvangdienst zond. Maar blijkbaar gaf ik een erg zelfverzekerde indruk bij de intakegesprekken. Ze wisten ook al dat ik geregeld op een podium stond, dus dachten ze niet meteen aan een angststoornis. Dat ik toen nog steeds niet wist hoe ik mijn paniekaanvallen moest uitleggen, zal ook niet geholpen hebben. 

Uiteindelijk belandde ik bij een stagiaire die mij wat ademhalingsoefeningen gaf. Elke week lag ik op de grond te luisteren naar iemand die twee jaar jonger was dan ik en mij vertelde hoe ik met mijn buik moest ademen. Daar schoot ik niet veel mee op. Dus trok ik naar het Universitair Ziekenhuis in Gent, waar de psychiaters mij eindelijk konden uitleggen wat er scheelde, en waar ik eindelijk de naam leerde kennen van de kwelgeest waartegen ik al jaren vocht: opsluitingsangst.

Gedragstherapie, mijn redding

Voor ik aan de universiteit begon, waren mijn paniekaanvallen altijd erg algemeen. De angst kon zich op elk moment manifesteren, zonder specifieke aanleiding. Toen had ik veeleer een algemene paniekstoornis. Maar sinds ik eens een aanval kreeg in de trein, heeft die angst zich vastgekoppeld aan afgesloten ruimtes: treinen, vliegtuigen, tunnels, boten, liften, enzovoort. Het is geen claustrofobie, want ik heb er geen last van als de deur niet op slot is, maar eerder een soort agorafobie of pleinvrees. Ik ben bang voor plaatsen waar ik niet onmiddellijk weg kan, net zoals iemand in het midden van een plein houvast zoekt maar dat niet vindt, en daarom een paniekaanval krijgt. Het gaat om controle. 

Dankzij de psychiaters van het UZ wist ik wel hoe mijn stoornis heette, maar ik wist nog steeds niet hoe ik ze te lijf kon gaan. Eén psychiater raadde mij een mindfulnesscursus aan, een andere stopte me wat antidepressiva toe, en gaf me bijna nonchalant de raad om ‘af en toe eens een trein te nemen’. Zomaar, alsof het niets was. Terwijl ik net een fobie voor treinen had ontwikkeld.

En toen kwam ik voor een patstelling te staan. Ik was 23 en mocht voor het Canvas-programma India voor beginners naar India om een documentaire te maken over de stand van de wetenschap in dat land. Een ongelooflijke buitenkans, maar het was tien uur vliegen, en ik durfde toen amper een tram op. Ik probeerde een afspraak te maken met een psychiater en ging ervan uit dat die mij slaappillen zou voorschrijven. Maar omdat de psychiater met vakantie was, ging ik zelf op het internet op zoek. Zo stootte ik op een gedragstherapeute – mijn redding.

Ze koos voor een zuivere exposure-behandeling, hield het niet bij vage opdrachten als ‘neem eens een trein’, maar deed alles samen met mij. In een eerste theoretische sessie maakte ze me duidelijk wat er precies in mijn lichaam gebeurde bij zo’n paniekaanval. Ze benoemde de hormonen, de adrenaline, de neurotransmitters die vrijkomen. En ze schetste hoe een lijf daarop reageert. Exact beschreef ze wat ik elke keer opnieuw meemaakte: iemand die een paniekaanval krijgt, wordt ijl in het hoofd, begint anders te ademen en verzeilt in een vicieuze cirkel, want die symptomen maken je bang, en dat versterkt de symptomen dan weer.

De gedragstherapeute leerde me een andere manier om met mijn paniekaanvallen om te gaan: ik moest proberen rustig te blijven, mijn ademhaling te beheersen en mijn gedachten te controleren. Ik moest mezelf overtuigen dat ik wist wat er aan de hand was, en dat het na een paar minuten wel zou gaan liggen. Beseffen dat het vanzelf weggaat, was een eerste grote horde om te nemen.

Is het dat maar?

De volgende stap was de eigenlijke exposure, en die was van een heel ander niveau. Mijn therapeute stak mij in de ingebouwde kast bij haar thuis, een ruimte van anderhalve op anderhalve meter, tussen de Spa-flessen en de frituurketel. De eerste keer was de deur los: daar kon ik wel mee om. De keer daarop deed ze de deur op slot, maar zat ze samen met mij in de inbouwkast. Bij de volgende poging bleef ze aan de deur van de gesloten kast wachten en werd ik al wat zenuwachtiger. Plots zei ze: ‘Ik ga even iets halen in mijn bureau.’ De gevoelens van angst begonnen langzaam weer op te wellen, maar een paniekaanval bleef uit. 

In de daaropvolgende sessie zei ze: ‘Nu ga ik je in de kast stoppen, met de deur op slot, en daarna ga ik even om boodschappen in het winkeltje om de hoek. Oké?’ Dat was plots een serieuze drempel. Maar dat is exposure: telkens als je een volgende stap moet nemen, voel je daar veel mentale weerstand tegen. Het is zaak om door te zetten. Ik dus in die kast. Zodra ik haar de voordeur hoorde uitgaan, spookten diezelfde oude ideeën door mijn hoofd. Het werd me plots erg duidelijk dat ik in een leeg huis zat, in een hokje van anderhalve op anderhalve meter, met de deur op slot. De paniek sloeg toe. Ik ben op de grond gaan zitten en de aangeleerde ‘hanteringstechnieken’ beginnen toepassen: ademhalingsoefeningen en geruststellende rationele gedachten zoeken. De angst zakte en op de duur dacht ik: tiens, is het dat maar? Later hebben we nog een paar keer samen de trein genomen, en twee weken nadien heb ik zonder enig probleem tien uur op het vliegtuig naar India gezeten.

Ik vind het nog steeds jammer dat het zo lang heeft geduurd voor ik bij een gedragstherapeut terechtkwam. Ik denk dat er op het vlak van geestelijke gezondheidszorg nog steeds een blinde vlek is in Vlaanderen. Het zou een automatische reflex moeten zijn om iemand met een fobie naar een gedragstherapeut te sturen. Die zijn dol op mensen met fobieën, omdat ze zo behandelbaar zijn. Voor negen van de tien psychologische klachten bestaan op wetenschappelijk onderzoek gebaseerde therapieën, die niet louter uit het kwakzalversbrein van een of andere baardmans komen. Gedragstherapieën werken al decennia met testgroepen met en zonder medicatie: wat statistische bewijsvoering betreft, staan die volgens mij erg ver.

Was ik op mijn 17de meteen bij een gedragstherapeut terechtgekomen, dan zou het allemaal iets comfortabeler zijn gelopen. Als iemand mij op dat moment had kunnen zeggen waar ik precies aan leed, dat honderdduizenden mensen in België eenzelfde probleem hebben, dat mijn depressieve periodes vooral te maken hadden met uitputting en dat ik er niet van zou doodgaan: dat zou voor mij zeer helend geweest zijn. Maar ik heb jarenlang rondgelopen met het idee dat ik binnen de kortste keren volledig zou doorslaan en dat ze mij voor de rest van mijn leven in een wit kamertje zouden stoppen.

Hopelijk mis ik de trein

Daarom praat ik nu zo openlijk over mijn stoornis: om andere mensen te laten weten dat ze niet alleen zijn. Als je in een groep van twintig man zegt dat je een fobie hebt, komt er achteraf gegarandeerd iemand naar jou toe die zegt dat hij hetzelfde probleem heeft. Tijdens een interview viel ooit eens een pilletje uit mijn portefeuille. De journalist die me interviewde, maakte mij erop attent dat mijn ‘aspirine’ gevallen was. Ik antwoordde dat het een angstremmer was tegen paniekaanvallen en kreeg een verbaasde blik terug. Dat ik dat durfde te zeggen! Want hij had er eigenlijk ook eentje bij, maar probeerde dat altijd te verdoezelen. Erg voor hem, want het jaagt je stressfactor alleen de hoogte in. 

Ik merk dat ik veel meer op mijn gemak ben als ik mensen heb verteld dat ik een angststoornis heb. Want van continu uitvluchten verzinnen om je aandoening te verbloemen, krijg je extra stress. Natuurlijk, het is typisch om dat in je puberteit, of zelfs erg lang daarna, angstvallig verborgen te houden. Je praat er het liefst met niemand over. Maar op de duur kun je niet anders. Toen we met Neveneffecten opnames moesten doen op een trein, heb ik mijn collega’s en onze producer opgebiecht dat die trein voor mij geen optie was. Daar keken ze raar van op, want ze kennen me als een rationeel mens. Niemand lijkt ook te begrijpen hoe je met een angststoornis op een podium voor duizend man kunt staan. Maar een fobie is totaal irrationeel. Mijn fobie heeft betrekking op treinen, niet op podia.

Momenteel heb ik het gevoel dat alles onder controle is. Vroeger was ik altijd doodsbang als ik met de wagen naar Nederland moest. Ik nam altijd iemand mee, mijn vrouw of een kameraad, voor het geval ik in een of ander boerengat langs de snelweg tussen Antwerpen en Hilversum een paniekaanval zou krijgen. Intussen rijd ik weer alleen. Ik vind het nog steeds spannend als ik vertrek, maar eens ik Antwerpen voorbij ben en in de polders kom, denk ik gewoon: wat moet komen, dat komt. 

Ik ga wel nog steeds langs bij een therapeut. In stresserende periodes, bijvoorbeeld wanneer ik televisieopnames heb, begin ik opnieuw vermijdingsgedrag te vertonen. Als ik vermoeid of extra gestrest ben en ik moet plots ergens heen met de trein, begin ik te twijfelen. Kan ik het niet op een andere manier oplossen? Zou ik niet beter wachten tot ik uitgeslapen ben? Zou dit niet weer een aanval kunnen uitlokken? Op dat moment is elke reden goed om die trein te missen. Ik moet onverwachts een telefoontje doen, of mijn veters strikken.

Mijn nieuwe therapeut heeft mij duidelijk gemaakt dat het zo niet werkt. Telkens als je de trein vermijdt, voed je die angstgevoelens. Terwijl je, als je in een gloeiende paniek op een trein zit en die rit toch afmaakt, de volgende keer juist minder angst zult voelen. Je moet je dus over je angst kunnen zetten. Dat is veel makkelijker gezegd dan gedaan, want angst is net een gevoel dat je hele lichaam in een soort verweer brengt. Maar zodra je de ervaring hebt dat het helpt, is het bevrijdend.

Ik heb dat langzaam opgebouwd: ik ben begonnen met een stoptrein met haltes om de drie minuten, daarna nam ik er één die om het kwartier stopte, en vervolgens eentje die een halfuur doorreed. Nu ben ik eindelijk weer zo ver dat ik op de trein kan stappen met het idee: misschien breekt er wel een paniekaanval los, maar ik kan het oplossen. Ofwel met de pillen die ik bij heb, ofwel door gewoon rustig te blijven.

Ik leg ook geregeld een paar onvermijdelijke momenten vast. Dan besluit ik bijvoorbeeld om met de TGV naar Frankrijk te gaan, of om naar Schotland te vliegen. Ik zal altijd een mens met een hogere angstgevoeligheid zijn, maar het gevoel hebben dat ik met die angst kan omgaan, is het summum. De trein ben ik intussen zo gewoon dat ik zelfs geen medicatie meer meeneem. Nu nog zonder pillen op het vliegtuig, en ik ben er.

(Bron: De Standaard Weekblad)

Deze en de verhalen van andere bekende Vlamingen nam Leslie Hodge op in haar boek Verborgen Kopzorgen.

19/10/2015